Inloggen

DE OUDE ZEILTIJD EN HET REPERTOIRE.

Zeemansliederen werden aan boord van de zeilschepen gezongen, voornamelijk in de tweede helft van de 19de eeuw en ook nog wel in de 20ste eeuw tot aan de Eerste Wereldoorlog, die ongeveer het einde van de vrachtvaart met zeilschepen markeert.

De oorsprong is al heel oud: een Dominicaner monnik die aan boord van een Venetiaanse galei in 1493 op weg was naar Palestina, maakte al melding van zeelui die zongen tijdens het zware werk!

We onderscheiden twee soorten liederen: de werkliederen (Shanties) die gezongen werden om zwaar eentonig werk te verlichten zoals het zetten en wegnemen van de zeilen, ankerhieuwen, lenspompen, stuwen van lading en ballast, en dek schrobben. Ze zijn sterk ritmisch van karakter.

De shantyman/voorzanger was erg belangrijk, hij gaf het tempo van het werk aan en verzon net zo lang nieuwe coupletten als het werk duurde.

De bemanning zong dan de refreinen.

Als het werk constante kracht vereiste, zoals bijvoorbeeld bij het hieuwen van het anker met de kaapstander, waren de refreinen lang, vier- of meerregelig. Was er slechts één moment van kracht vereist, dan was er een éénregelig refrein met aan het eind een kort en krachtig woord zoals: pull, haul, blow, hilo of roll.

De bekende KaapHoorn-vaarder, shantyman en publicist Stan Hugill zei altijd: ‘A good shantyman is worth ten men on a rope'; een goede voorzanger is net zoveel waard als tien man die aan een touw trekken!

Vaak werden bemanningen pas gemonsterd nádat er een shantyman was gevonden.

In de spaarzame vrije tijd werden de andere liederen, de ballades (sea songs of forebitters) gezongen die een verhalend karakter hebben en vertellen over belangrijke gebeurtenissen, maar ook over reizen, kapiteins, schepen en de vrouwen, thuis en onderweg.

Het leven aan boord was zwaar, de kapitein had het absolute gezag en kon met de mannen doen en laten wat hij wilde. Twaalf uur per dag werken was het minste. Tussendoor was het ‘All hands on deck', als er zeil geminderd of gemeerderd moest worden. Elke dag werd er twee uur dek gewassen, niet omdat men zo schoon was, maar om te voorkomen dat de houten dekken uitdroogden. Daardoor zou speling tussen de houten delen ontstaan, wat met plotseling slecht weer of tropische regens fataal voor schip en/of lading zou kunnen zijn. Ook de ‘Idlers', dat waren de bemanningsleden die geen wacht liepen, zoals de timmerman, de steward en de kok, moesten meehelpen met dekwassen.

Het eten aan boord was slecht. De eerste tijd had men nog levende have aan boord: paarden, koeien, kippen en varkens, die van lieverlee geslacht werden. Daarna bestond het menu uit zout vlees, driemaal per dag.

Ook was er wel erwtensoep, die zo dik gemaakt werd dat het met slingerend schip ‘draagbaar' was, en scheepsbeschuit waar je voor het eten eerst even mee op de tafel moest kloppen om de meeltorren eruit te verwijderen!

Een van de meest gevreesde ziektes was scheurbuik, waaraan velen overleden. De Engelsen danken hun scheldnaam ‘Limeys' aan het feit dat er op Engelse schepen voor het eerst lime-juice (citroensap) werd verstrekt tegen genoemde ziekte.

De mannen kwamen in de koude streken met slecht weer soms weken niet uit de kleren en zaten dus onder de zweren en kloven. Pas in 1825 werd zeep geïntroduceerd, daarvóór waste men de kleding in urine waarna die, als er regenwater voorhanden was, werd uitgespoeld.

Overal ter wereld drosten bemanningsleden en de kapiteins moesten maar zien hoe ze aan vervangers kwamen. In de Stille Zuidzee kwamen daarom wel ‘Kanaken' aan boord, de oorspronkelijke bewoners van de Sandwich eilanden. ‘Kanaak' betekent mens in het Hawaïaans; later werden álle Zuidzeeeilanders zo genoemd. Noord-Amerika leverde vooral negers als aanvullende bemanningsleden, zij namen hun werkliederen van de katoenplantages mee aan boord. Veel shanties hebben dan ook een negroïde achtergrond. Een bekend figuur uit die tijd was ook John Brown, die probeerde negers uit hun slavernij te bevrijden.

Verder werden overal ter wereld in de havenkroegen mannen dronken gevoerd. Ze kregen een handgeld, meestal een goudstuk overeenkomend met éénmaand gage (month advance) en werden aan boord gebracht. Dit noemt men ‘shanghayen'. Tijdens de goldrush (1848/49) schijnt een logementhouder in San Francisco met de bijnaam Shanghay-Brown, deze methode te hebben uitgevonden!

De reizen duurden lang, soms wel vier of vijf jaar. Huwelijken waren praktisch onmogelijk of hielden geen stand. De ruwe kerels, die na een reis en met voor die tijd veel geld op zak aan de wal kwamen, waren een gemakkelijke prooi voor de vrouwen in de kroegen. Ook de logementhouders wisten wel hoe ze de zeeman snel konden ‘uitkleden'.

De vocabulaire van de zeelui was niet erg hoogstaand, hoe langer de reis duurde hoe schunniger de teksten, zelfs van hun liederen. Maar u kunt gerust (of teleurgesteld?) zijn, wij zingen de gekuiste versies.

De Shanties verdwenen met de komst van ijzeren schepen en de stoomhulpwerktuigen die het zware handwerk overbodig maakten.

Nieuwe Sea Songs worden nog wel aan het bestaande repertoire toegevoegd, maar aan boord van moderne schepen wordt niet meer in groepen gezongen.

Gelukkig nog wel aan de wal, o.a. door het Scheldeloodsenkoor.